Parken in de binnenstad
Het Koningin Astridpark of de “Botanieken Hof”, het eerste stadspark
Het Astridpark is een schoolvoorbeeld van een open ruimte die eeuwen stadsontwikkeling als kloostertuin overleefde. Het begon toen de minderbroeders, die zich rond 1221 in Brugge kwamen vestigen, in 1246 een plaats toegewezen kregen op de Braamberg. Een grote tuin strekte zich achter de kloostermuren uit.
Meer dan vijf eeuwen konden de minderbroeders, beter bekend als de recolletten, er rustig werken en mediteren. Nadat de Fransen het bewind in handen kregen en op 1 september 1796 bij wet alle religieuze gemeenschappen ontbonden, werd het klooster gesloopt en kwam de tuin in particuliere handen.
Na heel wat discussie over de nieuwe bestemming kocht de stad het 3 ha groot terrein op 28 oktober 1850 aan voor de som van 50.000 fr. Een deel van het terrein zou dienen voor de uitbreiding van de gevangenis en een deel voor de bouw van de Magdalenakerk. Directeur Rudd van de Dienst Openbare Werken van de stad kreeg de opdracht het overblijvende gedeelte uit te bouwen tot park of publieke wandeling.
Aan de Leuvense tuinarchitect Egidius Rosseels werd in 1851 gevraagd een parkontwerp voor de aangekochte gronden op te maken. Rosseels liet zich hierbij sterk leiden door de 18de-eeuwse Engelse landschapsstijl, die in de 19de eeuw op het vasteland het gesublimeerde voorbeeld was in de parkaanleg. Hij wist er de voornaamste kenmerken van de landschapstuin op een verfijnde manier toe te passen. Om binnen deze vrij kleine oppervlakte de landschapsillusie op te roepen, maakte hij gebruik van hoogteverschillen, grasperken met boomgroepen en een centrale vijver, als romantisch spiegelvlak.
De dichte randbeplanting langs de straatzijden moest de ligging in het stadscentrum doen vergeten. Door de grillige vormen van de paden en het vermijden van elke rechte lijn werd een voortdurend wisselende blik op de pittoreske tuin mogelijk. Blijkbaar was het stadsbestuur erg opgetogen met het ontwerp, want in 1853 werd Rosseels ook de aanleg van de Gentpoortvest toevertrouwd.
Aanvankelijk werd het park genoemd naar de vroegere eigenaars namelijk de “Hof der Recolletten” (Jardin des Recollets) of “de franciscanertuin”. Omstreeks 1855-1856 duiken de termen “Botanieken Hof” (Jardin Botanique) of gewoon “Den Publieken Hof” of “’t Park” of ook nog (maar eerder zeldzaam) de “Warande” op. In 1906 was de officiële benaming “Jardin Botanique”. Na de dood van Koningin Astrid in 1935 werd beslist, als blijvend aandenken, het park haar naam te geven. Het jaar daarop maakte de kunstenaar De Wispelaere een bronzen borstbeeld en werd de buste in het park geplaatst.
Oppervlakte: 1,78 ha
Toegang via Park, Minderbroedersstraat, Stalijzerstraat, Schaarstraat
Openbaar vervoer: Schaarstraat Lijn 1 – Magdalenakerk, Lijn 2 - Magdalenaker
Het Koning Albertpark: een groene toegang
Wie Brugge langs de zuidzijde binnenkomt, wordt aangenaam verrast door het plots opduikend groen van het Koning Albertpark. Meer dan een eeuw lang stoomden treinen hier de stad binnen, op weg naar het station op ’t Zand.
Langs beide zijden van de sporen lagen brede stroken laag grasland, resten van blekerijweiden. Toen het hele spoor- en stationscomplex naar de stadsrand moest verhuizen, doken verschillende plannen op om de brede bres naar de Boeveriepoort een nieuwe bestemming te geven.
De overeenkomst tussen stad en staat om een nieuw spoor- en stationscomplex net buiten de vestigingen op te trekken, werd in 1899 getekend. Allerlei vertragingen zorgden er echter voor dat met de bouw van het nieuwe station pas in 1936 werd aangevangen. De benutting en aanleg van het vrijgekomen terrein was op het einde van de jaren dertig het voorwerp van talrijke discussies.
Een eerste ontwerp, naar de ideeën van de toenmalige schepen van openbare werken architect Vierin (1937), voorzag een dubbele verkeersweg van het station naar ’t Zand, met aan weerszijden bebouwing. Langs het Capucijnenreitje zou een klein park komen, ongeveer half zo groot als het huidig Albertpark. Ook andere plannen voorzagen een bebouwde boulevard. Van deze projecten werd echter afgestapt ten voordele van een brede groene toegang tot de stad.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkten Joseph en Julien Leys, respectievelijk bestuurder en toezichter van de “Dienst Aanplantingen”, enkele voorstellen uit betreffende de aanplantingen. Hun bedoeling was: “de aanzienlijke bres, die in de ring der stadsvestingen ontstaan is, aanvullen en een geleidelijke overgang naar de verkeers- en wooncentra tot stand brengen”.
De beplanting moest ook dienen voor het afschermen van “al wat voor het zicht van het stadsbeeld minderwaardig is en er tevens voor zorgen dat tusschen en door het loover torens en vergezichten, mooie achtergevels en gelukkige dakenspelingen tot hun recht komen.” Het park zou ook “den voetganger buiten de verkeersdrukte leiden langs paden waar bij iederen stap een nieuw zicht genietbaar wordt.” De aanplantingen zouden het karakter van een landschapspark krijgen met lichtglooiende grasperken omsloten door ruime bomengroepen en heesters. Al deze ideeën werden goedgekeurd op 27 november 1948. Begin 1949 werd onmiddellijk gestart met de uitvoering van de werkzaamheden. Hierbij werden vele tewerkgestelde werklozen ingeschakeld. Deze grootse werkzaamheden, met veel grondverzet, werden in het kader van een zo groot mogelijke tewerkstelling in de periode van de wederopbouw, volledig met mankracht uitgevoerd. Ze duurden vier jaar. Het Koning Albertmonument midden op het terrein werd plechtig ingehuldigd in 1954.
Het eindresultaat viel bij iedereen in de smaak. Minder fraaie gezichten waren handig gecamoufleerd. Het park kwam als groene inkom tegemoet aan de eisen van een toeristische uitbouw van Brugge. Deze aanleg betekende ook de definitieve erkenning van de noodzaak aan groen in de stedenbouwkundige uitbouw van de stad.
-
Oppervlakte: 4,8 ha
-
Openbaar vervoer: alle stadsbussen ('t Zand)
Het Minnewaterpark: een veelzijdig trefpunt
Vele eeuwen lang waren de gronden van het Minnewaterpark in gebruik als blekerijweide. De oudste vermelding hieromtrent dateert van 1580. Tot het begin van de vorige eeuw was heel dit gebied nog als blekerij in gebruik. Daarna werd het versnipperd en kwam het in bezit van verschillende eigenaars. Op een deel ervan liet Ludovic Fraeys de Veubeke een kasteel in neo-gotische stijl, ’t Fraeyhuis, bouwen en een tuin aanleggen.
Het kasteel werd in 1969 gesloopt. De portierswoning en een deel van de leilinden in de tuin bleven gelukkig bewaard. Deze sloping paste in de verkavelingsmentaliteit van de jaren zestig. In het Bijzonder Plan van Aanleg “Minnewater” werd voor dit gebied immers een zone van losse residentiële bebouwing voorzien. In het begin van de jaren zeventig stelde de gemeenteraad zich echter de vraag of de inplanting van een villawijk nog langer gerechtvaardigd was en er integendeel niet eerder de voorkeur gegeven moest worden aan de aanleg van een openbaar park. Bij akte van 9 augustus 1974 werd de stad eigenaar van het 1,55 ha grote terrein.
Bij het ontwerp van het park werden twee doelstellingen nagestreefd: enerzijds het afronden van de toeristische wandelas in de buurt van het Minnewater en anderzijds het creëren van een groenzone met verschillende passieve recreatieve functies. Gebruik makend van de waardevolle restanten van de tuinaanleg van het Fraeyhuis, werd de basisstructuur van het nieuwe park uitgetekend.
De aanleg startte in 1977 en de openstelling volgde in 1979. Kort daarop werd het park nog met een halve hectare uitgebreid door de aankoop van twee aanpalende eigendommen.
Dankzij de titel ‘Brugge 2002, Culturele hoofdstad van Europa’ kon het aanpalende deel van het kanaaleiland, het Bargeplein, ingericht worden als een aantrekkelijke onthaalruimte voor de vele duizenden toeristen die Brugge met de bus bezoeken. Via de opvallende brugconstructies komen ze nu vlot het Minnewaterpark binnen om hun toeristische ontdekkingstocht te beginnen.
Oppervlakte: 1,62 ha
Toegang via Minnewater, Arsenaalstraat, Katelijnevest, Colettijnenstraat
Openbaar vervoer: Lijn 1 – Begijnhof, Lijn 2 – Katelijneparking
Het onbekende Sincfalpark
Achter de huizen van de Calvariebergstraat ligt het Sincfalpark. Het is een oord dat eeuwenlang een gezapige geschiedenis kende, die in de jaren zeventig een laatste wending nam. Waar nu in de zithoek of onder de stemmige linden of hazelaars buurtbabbels en roddels worden gewisseld, en waar de kleintjes vlak bij huis hun hartje kunnen ophalen, stichtten de rijke klaren in 1262 hun klooster. Eén van hun hoofdbezigheden was het verluchten van handschriften met kunstige tekeningen. Onder de Franse bezetting werd dit kloosterdomein openbaar verkocht. De gronden werden in de 19de eeuw als blekerijweide en moestuin gebruikt, tot de paters capucijnen er zich in 1867 kwamen vestigen. Vanaf 1908 werden deze gronden echter opgedeeld. De capucijnen verkochten in dat jaar een deel van hun bezit voor de oprichting van de Sint-Jozefskliniek. Het eigen dienstbetoon van de paters nam ook een deel van de vroegere kloostertuin in beslag: de capucijnenpater Tillo stichtte er de Schippersschool. In de jaren zestig slonk het aantal roepingen zodanig dat de paters zich verplicht zagen hun eigendom te verkopen.
De nieuwe eigenaar had de bedoeling op het ruim 2 ha groot terrein een prestigieus appartementscomplex op te richten en bedacht daarvoor de naam Sincfal. Het Schepencollege keurde dit ontwerp goed en in 1974 werd de eerste fase, een flatgebouw van zes verdiepingen tussen de Sint-Jozefskliniek en de Schippersschool, gerealiseerd. Het zou gelukkig bij dat ene gebouw blijven.
Door een samenloop van omstandigheden zag het stadsbestuur de kans deze gronden in 1977 te verwerven. De gronden werden in erfpacht gegeven aan de Brugse Maatschappij voor Huisvesting, die er een geslaagd project van sociale woningen realiseerde. Ruim 60 are van de vroegere kloostertuin werd daarbij voor een buurtpark gereserveerd.
-
Oppervlakte: 1,18 ha
-
Toegang via Sint-Clarastraat, Komvest, Calvariebergstraat
-
Openbaar vervoer: Lijn 41-42 – De Veste
Park Sebrechts
Dit park, gelegen tussen de Oude Zak en de Beenhouwersstraat, was in de 15de eeuw de moestuin van het klooster van de grauwzusters van Sint-Elisabeth.
Door het decreet van Keizer-Koster Jozef II van 1783 werd hun klooster in 1784 gesloten. De gebouwen en terreinen werden openbaar verkocht. Op het plan van deze eigendommen valt vooral de omvangrijke “lusthof” op, alsook het Smoutstraatje dat toen nog van de Oude Zak tot in de Beenhouwersstraat liep, maar dat later bij de tuin ingelijfd werd. Op het einde van de 19de eeuw was de vroegere stadsarchivaris Gilliodts de bewoner van deze eigendom. De parkaanleg dateert uit zijn tijd. In 1907 werd naar een ontwerp van Louis Dela Censerie de monumentale poort gebouwd die vanuit de Oude Zak toegang geeft tot het park. In 1928 werden tuin en huis aangekocht door de befaamde Brugse chirurg Sebrechts. In de binnenhof liet hij een merkwaardige fruittuin aanleggen en in de moestuin kweekte hij – uitzonderlijk voor die tijd – witloof en meloenen. Druiven rijpten er in een drietal opgewarmde serres. In de siertuin legde hij kleurrijke bloemmozaïeken aan.
In 1958, 10 jaar na het overlijden van professor Sebrechts, werd de eigendom aan de staat verkocht, die er de diensten van het Ministerie van Financiën in huisvestte. De waardering voor de tuin was blijkbaar niet bijzonder groot, want spoedig werden er plannen ontworpen om er een groot administratief centrum te verwezenlijken. Jarenlange discussies tussen de plannenmakers hebben deze realisatie gelukkig verhinderd. In 1980 kwamen de tuin en de gebouwen via een ruilpakket met de Staat in handen van de stad. Vanaf mei 1981 werden uitgebreide opschikkingswerkzaamheden uitgevoerd. De siertuin behield zijn vroeger karakter en de moestuin werd omgevormd tot een stukje groen met eigentijdse vorm. Beschermd door de omringende bomen, de dichte boomkruinen en de beukenhaag, kunnen we ons goed indenken dat deze moestuin een stukje “aards paradijs” moet geweest zijn.
-
Oppervlakte: 1,28 ha
-
Toegang via Beenhouwersstraat, Oude Zak
-
Openbaar vervoer: alle stadsbussen – Zilverpand
Het Graaf Visartpark
Niet in de binnenstad zelf, maar er helemaal tegenaan gekleefd, ligt niet ver van de Ezelpoort het Graaf Visartpark.
Het ontstaan van dit stukje groen was een onvoorziene uitloper van het stedenbouwkundig project dat rond de vorige eeuwwisseling in dit stadsdeel tot stand kwam. De Bruggelingen verwachtten door de havenplannen voor Zeebrugge en door het graven van het Zeekanaal en de aanleg van de nieuwe Brugse binnenhaven een snelle expansie van hun stad. Op aandringen van Koning Leopold II werd in 1897 de Duitse planoloog Stübben aangezocht om een modern woonkwartier aan de noordrand van de stad te realiseren. Na enkele wijzigingen aan Stübbens plan werden de werkzaamheden aangevat. De vestinggrachten aan de Komvest en de buitenvestinggracht aan de Gulden-Vlieslaan werden gedempt om bebouwd te worden. In 1902 werd de aanleg van dit park goedgekeurd in het kader van de algemene opschikkingswerkzaamheden voor de wijk ten noorden van de Gulden-Vlieslaan. Het plan werd in 1904 gemaakt door stadsingenieur Salmon, naar aanwijzingen van burgemeester Visart de Bocarmé. In tegenstelling tot de zwierige aanleg van bijvoorbeeld het Astridpark of de vestingen, werd dit park volgens een strak lijnenpatroon uitgewerkt.
In 1929, 5 jaar na de dood van burgemeester Visart, werd het park omgedoopt tot Graaf Visartpark.
De jeugdjaren van het park liepen niet van een leien dakje. Heel wat bomen begaven het na korte tijd. Het terrein, dat met bagger uit de Smedenvest was opgehoogd, was nog niet geschikt om bomen te planten. Na een paar decennia was het park sterk vervallen. Het assortiment bomen, geplant op voorstel van Visart, was erg geslonken. Vele bomen werden vervangen door soorten die beter op de vochtige grond zouden gedijen. Door de dichte plantafstand werd het echter een somber, vochtig en weinig aantrekkelijk stukje groen. In 1954 volgde een grondige opschik. Heel wat bomen werden geveld om het park een zonniger aanblik te geven. De wandelpaden kregen een nieuwe beurt en kleurrijke bloemenperken werden aangelegd. In 1961 werd er een miniatuurverkeerspark aangelegd, maar dooropeenvolgende veranderingen in de verkeerswetgeving raakte de infrastructuur steeds weer achterop. Van verder instandhouden werd op de duur afgezien. Sinds 1982 zijn de paadjes geïntegreerd in het wijkspeelpleintje dat er werd aangelegd. Het is momenteel een aangename verpozings- en speelzone voor de bewoners van nabijgelegen delen in de binnenstad en van de Kristus Koningwijk.
-
Oppervlakte:
-
Openbaar vervoer: Lijn 9 -Visartpark
Het Pastoor Van Haeckeplantsoen
In de hoek gevormd door de Ezelstraat en de Gulden-Vlieslaan ligt helemaal verscholen het sfeervolle Pastoor Van Haeckeplantsoen. Oorspronkelijk was dit intieme plantsoentje de binnentuin van een neo-classicistisch herenhuis langs de Gulden-Vlieslaan. Het huis heeft inmiddels plaats moeten ruimen voor een aantal residentiële appartementsgebouwen.
Aanvankelijk wilde men ook nog de tuin omvormen tot parkeerruimte, maar zover kwam het niet. In 1978 werd namelijk voor het Ezelstraatkwartier het BPA Sint-Joos opgesteld. Dit plan voorzag in de aankoop van de binnentuinen en open ruimten in het kader van de stadskernvernieuwing. Het gehavende parkje werd door de stedelijke Groendienst in het voorjaar van 1983 opgeknapt. De vijver werd ontslijkt en gereinigd, er werden zithoekjes aangelegd en de wandelpaadjes kregen een nieuwe afwerking. Het parkje werd genoemd naar de opmerkelijke figuur van Pastoor Van Haecke, die omstreeks de jongste eeuwwisseling onderpastoor was van de Sint-Jakobsparochie.
Ondanks de bescheiden oppervlakte – 1.780 m² - hebben de vorige eigenaars toch een merkwaardig bomenassortiment weten samen te brengen. Letten we bijvoorbeeld even op de Japanse notenboom met zijn waaiervormige bladeren, die in het najaar een betoverend gele herfstkleur biedt, of op de moerascypres. De bonte Engelse veldiep, te herkennen aan het kleine witbonte blad is een variëteit die hier zelden voorkomt. Aan de vijverrand groeit ook een prachtige zwarte moerbezie. Een vleugje mysterie is hier blijven hangen, al zijn de kikkers uit de stille vijver wel gevlucht.
-
Oppervlakte: 0,17 ha














